How can we help?

WIP-richtlijnen voor de ambulancediensten

Gratis inspectie app

Je kan de onderstaande checklist gratis invullen op het Checkbuster platform. Dit kan je doen op een lap-top of PC. Natuurlijk kan je de inspectie ook invullen met de Checkbuster App op je telefoon.

2.1 Handhygiëne ambulance

  • 2.1.1. Iedere ambulance is voorzien van een vaste alcoholdispenser met verwisselbare flacon.
  • 2.1.2. Handreiniging wordt toegepast door middel van de handen te wassen met water en vloeibare zeep, en de handen worden nagedroogd met een schone doek of eenmalige handdoekjes.
  • 2.1.3 Handdesinfectie vindt plaats door de visueel schone handen in te wrijven met handalcohol totdat de handen droog zijn.
  • 2.1.4. De medewerkers passen handverzorging toe door middel van het verzorgen van de handen (voorkomt uitdrogen van de huid), bijvoorbeeld met een lotion of crème.

2.2 Toepassen handhygiëne ambulance

  • 2.2.1 Handhygiëne wordt toegepast voor aanvang van de werkzaamheden en na de pauzes.
  • 2.2.2 Handhygiëne wordt toegepast na hoesten, niezen en snuiten van de neus.
  • 2.2.3 Handhygiëne wordt toegepast na toiletgebruik.
  • 2.2.4 Handhygiëne wordt toegepast voor en na roken.
  • 2.2.5 Handhygiëne wordt toegepast voor en na contact met voedsel.
  • 2.2.6 Handhygiëne wordt toegepast bij het uitvoeren van verzorgende handelingen bij patiënten.
  • 2.2.7 Handhygiëne wordt toegepast voor en na wondbehandeling of -verzorging bij patiënten.
  • 2.2.8 Handhygiëne wordt toegepast na contact met lichaamsvloeistoffen of uitscheidingsproducten (feces, urine, bloed en wondvocht) bij patiënten.
  • 2.2.9 Handhygiëne wordt toegepast na verpleegkundige handelingen bij patiënten.
  • 2.2.10 In een gezondheidsinstelling wordt handhygiëne toegepast als de patiënt/ cliënt daar wordt opgenomen.
  • 2.2.11 Handhygiëne wordt toegepast na het uittrekken van handschoenen.
  • 2.2.12 Wondjes aan de handen worden afgedekt met een vochtwerende pleister.
  • 2.2.13 De handen worden volgens de handreiniging instructie gewassen: de handen worden goed natgemaakt onder de kraan, vervolgens worden ze voorzien van een laagje vloeibare zeep uit de dispenser.
  • 2.2.14 De handen worden gedurende 10 seconden goed over elkaar gewreven; de vingertoppen, duimen en gebieden tussen de vingers en polsen worden goed ingewreven.
  • 2.2.15 De handen worden goed afgespoeld.
  • 2.2.16 Na het wassen van de handen wordt de kraan gesloten met de elleboog- of voetbediening indien de kraan wordt gebruikt in een patiëntenruimte of een ruimte waar met patiëntenmateriaal wordt gewerkt. Anders volstaat het gebruik van een gewone mengkraan.
  • 2.2.17 De handen worden goed afgedroogd met een schone doek of eenmalige handdoekjes.Er wordt rekening gehouden met de polsen en de huid tussen de vingers.
  • 2.2.18 Bij het gebruik van handalcohol wordt uit de dispenser een hoeveelheid alcohol passend in het kuiltje van de handpalm genomen.
  • 2.2.19 De handalcohol wordt aangebracht op droge handen.
  • 2.2.20 De handen worden zorgvuldig over elkaar gewreven totdat ze droog zijn. Ook de vingertoppen, duimen, gebieden tussen de vingers en de polsen worden grondig ingewreven.

2.3 Persoonlijke verzorging medewerkers ambulance

  • 2.3.1 De medewerkers hebben de nagels kort en schoon, en dragen geen nagellak of kunstnagels.
  • 2.3.2 De medewerkers hebben schone en verzorgende haren, lang haar wordt opgestoken of bijeengebonden.
  • 2.3.3 Mannelijke medewerkers zorgen ervoor dat baarden en snorren kort en goed verzorgd zijn.
  • 2.3.4 Medewerkers dragen geen hand- en polssieraden bij de werkzaamheden.
  • 2.3.5 Er wordt een polshorloge gedragen, deze is goed te reinigen en te desinfecteren.
  • 2.3.6 Er wordt gebruik gemaakt van papieren zakdoekjes en deze worden na eenmalig gebruik weggegooid.
  • 2.3.7 Er wordt niet gegeten en gedronken in het patiëntgedeelte van de ambulance.
  • 2.3.8 Persoonlijke voorwerpen die niet in direct contact staan met patiënten, zoals mobiele telefoons en PDA’s, worden gebruikt nadat handhygiëne is toegepast.

2.4 Werkkleding van de ambulance medewerkers.

  • 2.4.1 De werkkleding wordt door de ambulancedienst aan de medewerkers verstrekt.
  • 2.4.2 De medewerkers verschonen iedere dag de werkkleding. Zichtbaar verontreinigde kleding wordt zo spoedig mogelijk vervangen door schone.
  • 2.4.3 De werkgever is verantwoordelijk voor het onderhoud en de reiniging van de werkkleding.
  • 2.4.4 Het schoeisel van de medewerkers is van goed reinigbaar materiaal. Zichtbaar verontreinigde schoenen worden zo snel mogelijk gereinigd.

2.5 Persoonlijke beschermingsmiddelen

  • 2.5.1 De ambulancedienst zorgt voor een goede beschikbaarheid van persoonlijke beschermingsmiddelen en een goede instructie van de medewerkers, conform de uit de Arbo-wet voortvloeiende verplichtingen.
  • 2.5.2 Er worden schone nitril onderzoekshandschoenen gedragen die voldoen aan de NEN-EN 374 (beschermende handschoenen tegen chemicaliën en micro-organismen), NEN-EN 420 (beschermende handschoenen – algemene eisen en beproevingsmethode) en NEN-EN 455 (medische handschoenen voor eenmalig gebruik).
  • 2.5.3 Er worden handschoenen gedragen in die gevallen waarbij de handen in contact kunnen komen met bloed, lichaamsvloeistoffen, slijmvliezen of een niet intacte huid.
  • 2.5.4 De handschoenen worden eenmalig en bij een zelfde patiënt gebruikt. Na gebruik worden ze direct uitgetrokken.
  • 2.5.5 Bij beschadiging worden de handschoenen direct vervangen.
  • 2.5.6 Tijdens het dragen van de handschoenen wordt contact met deurknoppen, telefoon, apparatuur, etc. vermeden.
  • 2.5.7 Na het uittrekken van de handschoenen wordt handhygiëne toegepast.
  • 2.5.8 Er wordt bij iedere handeling waarbij kans bestaat op spatten in het gezicht een chirurgisch mondneusmasker gedragen. Het masker wordt direct na gebruik weggegooid.
  • 2.5.9 Er wordt een ademhalingsbeschermingsmasker met filterklasse FFP1 gedragen bij kans op besmetting in de lucht aanwezige micro-organismen.
  • 2.5.10 Er wordt bij contact met een patiënt met (mogelijk) tuberculose een ademhalingsbeschermingsmasker met filterklasse FFP2 gedragen.
  • 2.5.11 Er wordt een beschermende bril of mondneusmasker met spatscherm gedragen bij iedere handeling waarbij er kans bestaat op spatten in het gezicht.
  • 2.5.12 Na gebruik van de bril wordt deze gereinigd en gedesinfecteerd, een wegwerpbril wordt direct weggegooid na gebruik.
  • 2.5.13 Bij contact en/ of vervoer van cliënten die sterk met lichaamsvloeistoffen zijn bevuild, of bij strikte isolatie worden beschermende kleding gedragen.
  • 2.5.14 Na het verlaten/ afleveren van de patiënt wordt de beschermende kleding uitgetrokken en in de instelling achtergelaten volgens de richtlijn die in die instelling gelden.

3.1 Omgaan met bloed

  • 3.1.1 Alle te gebruiken materialen liggen binnen handbereik.
  • 3.1.2 Bij werkzaamheden waarbij direct contact met bloed kan plaatsvinden worden handschoenen gedragen.
  • 3.1.3 Gebruikte naalden worden direct na gebruik in de daarvoor bestemde UN-gekleurde naaldcontainer gedeponeerd. De naalden worden niet teruggestoken in het beschermhoesje. De container wordt niet boven de vullijn gevuld.
  • 3.1.4 Na het beëindigen van de werkzaamheden worden besmet geraakte kleding of linnengoed direct verwijderd, worden de handschoenen uitgetrokken en handhygiëne toegepast.
  • 3.1.5 Bij het opruimen van gemorst bloed worden handschoenen gedragen, de plek wordt eerst gereinigd met een wegwerpdoek en daarna gedesinfecteerd.
  • 3.1.6 Na beëindiging van de handelingen wordt handhygiëne toegepast.

3.2 Accidenteel bloed-bloedcontact

  • 3.2.1 Er wordt een protocol op gesteld aan de hand van Landelijke Richtlijn Prikaccidenten van het CIB.
  • 3.2.2 In het protocol staat opgenomen dat bij bloed-bloedcontact het wondje goed moet laten doorbloeden.
  • 3.2.3 De wond wordt gespoeld met water of fysiologisch zout.

3.3 Bijtincident

  • 3.3.1 Na een bijtincident wordt een arts voor eerste hulp geraadpleegd.
  • 3.3.2 De werkgever is verantwoordelijk voor het aanwezig zijn van een adequaat protocol.
  • 3.3.3 Het protocol is zeven dagen per week vierentwintig uur per dag dekkend.

3.4 Vaccinatie

  • 3.4.1 Alle medewerkers die werkzaam zijn op de ambulance zijn gevaccineerd tegen DKTP, bof, mazelen en rode hond. Na tien jaar vindt er revaccinatie plaats voor DTP.
  • 3.4.2 Alle werknemers op de ambulance zijn gevaccineerd tegen hepatitis B. De serostatus is gecontroleerd en vastgelegd in het personeelsdossier.
  • 3.4.3 Als een medewerker drager blijkt te zijn van het hepatitis B virus, wordt via de bedrijfsarts contact opgenomen met de landelijke Commissie Preventie Iatrogene Hepatitis B. De ambulancemedewerker behoort tot de risicovormende gezondheidsmedewerkers.

3.5 Medewerker ambulance met een infectie.

  • 3.5.1 Er is een procedure voor het melden van medewerkers met een infectie.
  • 3.5.2 De volgende gevallen worden altijd gemeld; steenpuist, nagelriemontsteking, aanhoudende diarree, blaasjes, hepatitis A, contact met waterpokken of gordelroos, conjunctivitis en na opname of werken in een buitenlands ziekenhuis, of repatriëring van een patiënt vanuit een buitenlands ziekenhuis (MSRA).

4.1 Infectieziekten

  • 4.1.1 De behandelend arts informeert de meldkamer ambulancezorg, wanneer er een patiënt vervoerd moet worden die lijdt aan of wordt verdacht van bepaalde infectieziekten of die mogelijk is besmet met een multiresistent micro-organisme.
  • 4.1.2 Bij elke patiënt, ongeacht de infectiestatus, worden de algemene voorzorgsmaatregelen in acht genomen.
  • 4.1.3 Als er een patiënt vervoerd wordt met een infectieziekte door een onbekende ziekteverwekker worden er, op basis van symptomen, bepaalde maatregelen getroffen.
  • 4.1.4 Bij lichamelijk contact met de patiënt worden handschoenen gedragen en de ambulance wordt na behandeling gereinigd en gedesinfecteerd.
  • 4.1.5 Wanneer een patiënt hoest wordt er een masker FFP1 gedragen en de ambulance wordt na behandeling gereinigd en gedesinfecteerd.
  • 4.1.6 Wanneer een patiënt braakt wordt er een masker FFP1 en handschoenen gedragen en de ambulance wordt na behandeling gereinigd en gedesinfecteerd.
  • 4.1.7 Wanneer een patiënt last heeft van diarree worden er handschoenen gedragen en de ambulance wordt na behandeling gereinigd en gedesinfecteerd.

4.2 Vormen van isolatie

  • 4.2.1 Wanneer de besmettingsweg via druppels plaatsvindt, zoals bij influenza, vindt er druppelisolatie plaats.
  • 4.2.2 Tijdens het contact met een patiënt wordt er een FFP1 masker gedragen.
  • 4.2.3 Het masker wordt opgezet voordat de patiënt wordt benaderd, op een afstand van minimaal twee meter.
  • 4.2.4 De handen worden gedesinfecteerd met handalcohol voordat het masker wordt afgezet.
  • 4.2.5 Het masker wordt verwijderd na het contact met de klant, op een afstand van minimaal twee meter.
  • 4.2.6 De handen worden na het afdoen van het masker gedesinfecteerd met handalcohol.
  • 4.2.7 De ambulance wordt na de rit gereinigd.
  • 4.2.8 Bij aërogene isolatie wordt er tijdens het verblijf in dezelfde ruimte als de patiënt een FFP2-masker gedragen.
  • 4.2.9 Bij aërogene isolatie wordt het masker opgezet voordat de ruimte betreden wordt waar de patiënt verblijft.
  • 4.2.10 Bij aërogene isolatie worden de handen gedesinfecteerd met handalcohol voor het afdoen van het masker.
  • 4.2.11 Bij aërogene isolatie wordt het masker verwijderd na het verlaten van de ruimte waar de patiënt verblijft.
  • 4.2.12 Bij aërogene isolatie worden de handen gedesinfecteerd na het afdoen van het masker.
  • 4.2.13 Bij aërogene isolatie wordt de ambulance gereinigd na de rit.
  • 4.2.14 Vindt de besmettingsweg plaats via lichamelijk contact, zoals bij ESBL, dan vindt er contactisolatie plaats.
  • 4.2.15 Tijdens het contact met de patiënt worden er handschoenen gedragen.
  • 4.2.16 Na het uittrekken van de handschoenen worden de handen gedesinfecteerd met handalcohol.
  • 4.2.17 De ambulance wordt na de rit gereinigd en gedesinfecteerd.
  • 4.2.18 Bij strikte isolatie wordt tijdens contact met de klant handschoenen, een masker, hoofdbedekking en een speciale overall over de werkkleding aangetrokken.
  • 4.2.19 Bij strikte isolatie wordt voor het betreden van de ruimte waar de patiënt verblijft, de handschoenen, overall en de hoofdbedekking aangedaan en het masker opgezet.
  • 4.2.20 Na het verlaten van de ruimte waar de patiënt verblijft, worden alle beschermingsmiddelen verwijderd.
  • 4.2.21 De handschoenen worden uitgedaan en de handen worden gedesinfecteerd.
  • 4.2.22 De overall wordt uitgedaan, de hoofdbedekking wordt afgezet en het masker wordt verwijderd.
  • 4.2.23 De handen worden gedesinfecteerd.
  • 4.2.24 De ambulance wordt na de rit gereinigd en gedesinfecteerd.

4.3 Zwangerschap ambulancemedewerkster

  • 4.3.1 Een zwangere ambulancemedewerkster die niet volledig gevaccineerd is, neemt contact op met de bedrijfsarts.

4.4 Maatregelen achteraf

  • 4.4.1 De medewerkers die betrokken zijn geweest bij behandeling of vervoer van patiënten met kinderverlamming, difterie, tuberculose, virale hemorragische koorts, norovirus of MSRA melden zich bij de bedrijfsarts en bij de leiding van de ambulancedienst.
  • 4.4.2 Er is een protocol aanwezig dat na het bericht van de desbetreffende medewerker(s) onmiddellijk in gang kan worden gezet.
  • 4.4.3 Het protocol is zeven dagen per week vierentwintig uur per dag dekkend. In het protocol staat wanneer de GGD op de hoogte moet worden gesteld voor mogelijk contactonderzoek.

5. Ongedierte

  • 5.1 De ambulance wordt na elke rit gereinigd.
  • 5.2 In geval van luizen wordt de kleding van de patiënt in een gesloten zak gestopt, hierbij draagt de medewerker handschoenen. De zak wordt afgeleverd in het ziekenhuis, er wordt vermeld dat de zak met luizen besmette kleding bevat.
  • 5.3 De ziekenhuismedewerker wordt ingelicht over (het vermoeden van) de besmetting met luizen.
  • 5.4 In geval van luizen worden de dekens en ander textiel waar de patiënt mee in aanraking is geweest in een gesloten zak gestopt, hierbij draagt de medewerker handschoenen. De zak wordt afgeleverd in het ziekenhuis, er wordt vermeld dat de zak met luizen besmet materiaal bevat.
  • 5.5 Als een ambulancemedewerker is besmet met luizen meldt hij of zij zich bij de bedrijfsarts.
  • 5.6 Bij het vermoeden van een patiënt met vlooien worden handschoenen gedragen. Er wordt zoveel mogelijk direct contact vermeden met zowel de patiënt als met de kleding van de patiënt.
  • 5.7 De kleding van de patiënt wordt in een afgesloten zak gestopt. De zak wordt in het ziekenhuis afgegeven en er wordt bij vermeld dat deze met vlooien besmette kleding bevat.
  • 5.8 De ziekenhuismedewerker wordt ingelicht over (het vermoeden van) de besmetting met vlooien.
  • 5.9 De ambulance wordt na het vervoer grondig gezogen en gereinigd. De ambulance wordt met goedgekeurde insecticide behandeld.
  • 5.10 Bij het vermoeden van een patiënt met scabiës worden handschoenen gedragen. Er vindt zo min mogelijk contact plaats met de patiënt en met de kleding van de patiënt.
  • 5.11 De kleding van de patiënt met scabiës wordt in een afgesloten plastic zak gestopt. Deze wordt in het ziekenhuishuis afgegeven, en er wordt vermeld dat deze met scabiës besmette kleding bevat.
  • 5.12 De ziekenhuismedewerker wordt ingelicht over (het vermoeden van) de besmetting met scabiës.
  • 5.13 Na het vervoer wordt de ambulance grondig gezogen.
  • 5.14 Als een ambulancemedewerker vermoedt dat hij of zij zelf is besmet met scabiës, meldt hij of zij zich bij de bedrijfsarts.

6.2 Reinigen, desinfectie en sterilisatie

  • 6.2.1 Tijdens het schoonmaken wordt er gebruik gemaakt van wegwerpmateriaal.
  • 6.2.2 Er wordt tijdens het schoonmaken gebruik gemaakt van schoonmaakmateriaal dat dagelijks na de werkzaamheden wordt gereinigd en gedroogd.
  • 6.2.3 Er wordt gebruik gemaakt van kunststof borstels.
  • 6.2.4 Na gebruik van de kunststof borstels worden deze schoongemaakt, vervolgens schoon gespoeld en opgehangen met de borstelkop naar beneden.
  • 6.2.5 De borstel wordt na het schoonmaken, van iets dat mogelijk besmet is geweest met bloed of andere lichaamsvochten, thermisch of met chloor 1000 ppm gedesinfecteerd.
  • 6.2.6 De emmers worden na gebruik huishoudelijk schoon gemaakt, daarna worden ze gespoeld, gedroogd en opgeborgen.
  • 6.2.7 Als de emmer is gebruikt voor reiniging van iets dat mogelijk besmet is geweest met bloed of andere lichaamsvochten, dan wordt deze na het schoonmaken gedesinfecteerd met chloor 1000 ppm. De emmer wordt aan de lucht gedroogd en opgeborgen.
  • 6.2.8 De materiaalwagen wordt wekelijks gereinigd.
  • 6.2.9 De microvezeldoekjes worden gebruikt zonder chemicaliën.
  • 6.2.10 De microvezeldoekjes worden klamvochtig gemaakt onder de kraan.
  • 6.2.11 De microvezeldoekjes worden tussentijds niet uitgespoeld.
  • 6.2.12 De doekjes die vervuild zijn, worden direct in de was gegooid.
  • 6.2.13 De doekjes worden gewassen bij een temperatuur van tenminste 60 C zonder wasverzachter.
  • 6.2.14 De doekjes worden droog bewaard.
  • 6.2.15 De doekjes worden vlak voor gebruik bevochtigd.
  • 6.2.16 Er worden wegwerpmoppen gebruikt.
  • 6.2.17 Bij gebruik van moppen die niet weggegooid worden, wordt de mop na elke werkdag gewassen met een totaalwasmiddel en gedroogd.
  • 6.2.18 Meerdere malen per dag wordt de aangemaakte verdunningen van reinigingsmiddelen ververst.
  • 6.2.19 Er wordt gebruik gemaakt van wegwerp sopdoeken.
  • 6.2.20 Er wordt gebruik gemaakt van herbruikbare sopdoeken, deze worden volgens wasvoorschrift gewassen.
  • 6.2.21 Sponsen en zemen worden alleen gebruikt voor het schoonmaken van ramen en spiegels.
  • 6.2.22 De stofzuiger wordt maandelijks huishoudelijk gereinigd, inclusief borstelmondstuk.

6.3 Reinigen, desinfectie en sterilisatie

  • 6.3.1 Na iedere rit worden alle contactpunten gereinigd zoals handvatten en de monitor.
  • 6.3.2 De ambulance wordt 1 keer per week leeggehaald en alle oppervlakten worden gereinigd.
  • 6.3.3 Aan de ambulance vindt periodiek groot onderhoud plaats, inclusief de inhoud van de kasten en het instrumentarium. Hoe vaak dit plaatsvindt hangt af van de intensiteit van de ambulance.

6.4 Reinigen, desinfectie en sterilisatie

  • 6.4.1 Voor desinfectie van een specifiek medisch hulpmiddel worden alleen middelen gebruikt die zijn voorzien van CE merk.
  • 6.4.2 Voor desinfectie van vloeren, materialen en andere oppervlakten worden alleen middelen gebruikt die zijn toegelaten door het CTB en zijn voorzien van een N-nummer (op alcohol na).
  • 6.4.3 Als er sprake is van besmetting die veroorzaakt worden door bacteriën en virussen, dan wordt voor oppervlakte-desinfectie gebruik gemaakt van chloor 250 ppm.
  • 6.4.4 Als er bloed is gemorst dan wordt voor oppervlakte-desinfectie gebruik gemaakt van chloor 1000 ppm.
  • 6.4.6 Voor oppervlakte-desinfectie wordt eerst goed gereinigd.
  • 6.4.5 Als er bloed is gemorst dan wordt voor oppervlakte-desinfectie gebruik gemaakt van alcohol 70%, alleen op kleine oppervlakten.

6.5 Reinigen, desinfectie en sterilisatie

  • 6.5.1 Voor sterilisatie van materialen wordt gebruik gemaakt van een service van een ziekenhuis of van een bedrijf dat hiertoe bevoegd is.

6.6 Reinigen, desinfectie en sterilisatie

  • 6.6.1 Afval met een infectierisico wordt vervoert in een container voorzien van een UN (3291) keurmerk.

6.7 Reinigen, desinfectie en sterilisatie

  • 6.7.1 Het gebruikte linnengoed wordt na iedere patiënt verschoont.
  • 6.7.2 Bij het hanteren van linnengoed dat zichtbaar verontreinigd is met bloed en andere lichaamsvochten, worden handschoenen en eventueel beschermende kleding gedragen.
  • 6.7.3 Het linnengoed wordt in een afgesloten zak naar de wasserij vervoerd.

6.8 Reinigen, desinfectie en sterilisatie

  • 6.8.1 Na gebruik van de couveuse, wordt deze gereinigd met een klam/vochtige doek.
  • 6.8.2 Bij het reinigen en desinfecteren van de couveuse worden de instructies opgevolgd van de leverancier.
  • 6.8.3 Er wordt gebruik gemaakt van een uitneembaar gesteriliseerd waterreservoir.

7.1 Reiniging en desinfectie van de helicopter

  • 7.1.1 Elke dag wordt voor overdracht van een dienst alle contactpunten van de helikopter, zoals deurkrukken en vloerdelen, en de gebruikte apparatuur met een door de helikopteroperator goedgekeurd schoonmaakmiddel.
  • 7.1.2 Er wordt gereinigd conform het verplichte onderhoudsprogramma voor helikopters, onder toezicht van de dienstdoende piloot, dagelijks of bij zichtbare verontreiniging de cabinevloer en het stretchersysteem met een door de helikopteroperator goedgekeurd schoonmaakmiddel.
  • 7.1.3 De stretcher, aanwezige stoelen, het center cabinet en eventueel noodzakelijke medische uitrusting zoals rugzakken en aluminium boxen worden uit de helikopter gehaald en buiten gereinigd.
  • 7.1.4 Er wordt een door de helikopteroperator goedgekeurd schoonmaakmiddel gebruikt, waarbij niet is toegestaan om met een ruime hoeveelheid water na te spoelen. Er worden hiervoor klamvochtige doeken gebruikt.
  • 7.1.5 De cabine wordt gereinigd en gedesinfecteerd met tissues of disposable doeken en een beperkte hoeveelheid water wanneer er sprake is van bloedbesmetting na transport van een patiënt.
  • 7.1.6 Er is een stappenplan aanwezig waarin staat vermeld hoe de beam van de EC 135 helikopter met zijbelading configuratie compleet kan worden opgebouwd om ook de onderzijde van de stretcherbeam te kunnen reinigen.

7.2 Vervoer van een besmettelijke patiënt.

  • 7.2.1 Als er een patiënt vervoerd wordt met een besmettelijke ziekte, dan blijft de piloot zo ver mogelijk verwijderd van de patiënt en draagt bescherming.
  • 7.2.2 Als er een patiënt vervoerd wordt met een besmettelijke ziekte, wordt de helikopter na gebruik gereinigd en gedesinfecteerd.
  • 7.2.3 Als er een patiënt vervoerd wordt met een besmettelijke ziekte, wordt het scheidingsgordijn verwijderd en gewassen volgens instellingsprocedure voor linnengoed.
  • 7.2.4 Als er een patiënt vervoerd wordt met een besmettelijke ziekte, wordt de cockpit met luchtvaart-en communicatie instrumentarium gereinigd en gedesinfecteerd. Dit wordt gedaan met speciaal daarvoor bestemde middelen, door de piloot en conform aanwijzingen van de helikopter operator.