How can we help?

WIP-richtlijn Intraveneuze therapie (Ziekenhuizen)

Gratis inspectie app

Je kan de onderstaande checklist gratis invullen op het Checkbuster platform. Dit kan je doen op een lap-top of PC. Natuurlijk kan je de inspectie ook invullen met de Checkbuster App op je telefoon.

4.1 Voorzorgsmaatregelen

  • De punctieplaats wordt dagelijks gecontroleerd op tekenen van flebitis en infectie.
  • De inspectie van de punctieplaats vindt visueel plaats en eventueel door palpatie van de punctieplaats en de bevindingen worden niet geregistreerd.
  • Er wordt een schone werkwijze gehanteerd bij alle handelingen aan het infuussysteem.
  • De koppelingen en bijspuitpunten aan de infuuskatheter worden gedesinfecteerd met alcohol 70% voorafgaand aan het uitvoeren van handelingen hieraan.
  • Er wordt bij het desinfecteren een contacttijd gehanteerd van tenminste 30 seconden en de alcohol wordt eerst volledig aan de lucht gedroogd.
  • Er wordt dagelijks geëvalueerd of het noodzakelijk is dat de infuuskatheter nog in situ blijft en de bevinding wordt geregistreerd.

4.1.1 Inbrengen

  • Er wordt gebruik gemaakt van alcohol (60-90%) voor desinfectie van de huid, met of zonder toevoeging van 0,5% chloorhexidine (chloorhexidinetinctuur) of 1% jodium (jodiumtinctuur).
  • De huid wordt na desinfectie aan de lucht gedroogd voorafgaand aan het inbrengen van de infuuskatheter en voor het aanbrengen van afdekmateriaal.
  • De contacttijd van het desinfectans wordt zoals voorgeschreven door de fabrikant aangehouden.
  • De aangebrachte infuuskatheter wordt gefixeerd, zodat deze niet kan bewegen.

4.1.2 Afdekken

  • De punctieplaats wordt afgedekt met steriele semi-permeabele transparante polyurethaanfolie.
  • Steriele gazen worden dagelijks vervangen.
  • Loslatende, vuile of vochtige transparante folie wordt direct vervangen.

4.1.3 Verwijderen

  • De infuuskatheter wordt verwijderd wanneer de indicatie vervalt.
  • De huid wordt voor verwijdering van de infuuskatheter gedesinfecteerd wanneer de tip ingestuurd wordt voor kweek.
  • De punctieplaats wordt na verwijderen van de infuuskatheter afgedekt.

4.2.1 Bereiding infuusvloeistof

  • Er wordt gebruik gemaakt van kant-en-klare infuusvloeistoffen of infuusvloeistoffen die bereid zijn in de ziekenhuisapotheek.

4.2.2 Toediening van infuusvloeistof

  • De door de fabrikant geadviseerde procedure voor het toedienen van de infuusvloeistof wordt opgevolgd.
  • Er wordt bij continue infusie gebruik gemaakt van NaCl 0,9%.
  • Het aanprikpunt van infuusfles of –zak wordt gedesinfecteerd met alcohol 70% vóór het aansluiten van de infuusslang.
  • Er wordt een contacttijd gehanteerd van tenminste 30 seconden.
  • De alcohol wordt aan de lucht gedroogd en daarna wordt de naald in de fles of zak gebracht.
  • De infuusflessen of -zakken worden pas aangesloten op het moment van ingebruikname.
  • Een infuusfles/-zak wordt alleen patiëntgebonden gebruikt.
  • Een infuuszak, -fles of spuit wordt niet meer aangesloten na afkoppeling.
  • Perifere parenterale voeding (PPV) wordt alleen via een perifeerveneuze infuuskatheter gegeven.
  • Aangesloten infuusflessen of –zakken blijven maximaal 24 uur aanhangen, met uitzondering van infuusflessen of –zakken met bloed of bloedderivaten.
  • De maximale toedieningstijden van bloed of bloedderivaten bedragen respectievelijk 6 uur.
  • Er wordt gebruik gemaakt van een multilumenCVK bij gelijktijdig toedienen van TPV, medicamenten en bloed of bloedderivaten.

4.3.1 Koppeling van toedieningsysteem aan infuuskatheter

  • Bij het gebruik van een connector als koppeling tussen infuuskatheter en toedieningsysteem, behoort de connector bij de infuuskatheter en worden dezelfde regels voor verwisselen en vervangen opgevolgd als voor infuuskatheters.

4.3.2 Extra toegangen

  • Er worden zo weinig mogelijk extra toegangen gebruikt.
  • Er worden steriele afsluitdopjes of connectoren gebruikt om (extra) toegangen af te sluiten.
  • De connector wordt gelijk met het toedieningsysteem vervangen bij gebruik als afsluiter.
  • Er wordt iedere keer na verwijdering van het afsluitdopje een nieuw steriel afsluitdopje geplaatst.

4.3.4 Vervanging toedieningsysteem

  • Het toedieningsysteem wordt iedere 96 uur vervangen en direct wanneer dit zichtbaar verontreinigd is of bij beschadigingen of mechanisch falen met uitzondering van toediening van bloed, bloedderivaten en TPV.
  • Alle onderdelen van het toedieningsysteem worden vervangen.
  • Toedieningsystemen voor TPV, bloed en bloedderivaten worden minstens één maal per 24 uur vervangen of direct bij wijzigen van toedieningsvloeistof.

4.3.5 Gebruik van infuus zonder infuusvloeistof

  • De werkgroep raadt af om antibioticabevattende spoel- of slotoplossingen te gebruiken.
  • In een meta-analyse van negen RCTs werden verschillende antibiotica- en anticoagulantia regimes met elkaar vergeleken bij hemodialysekatheters.

5.1.1 Materiaalkeuze

  • Er wordt gebruik gemaakt van een perifeerveneuze infuuskatheter van polytetrafluoretheen (Teflon)- of polyurethaan.

5.1.2 Perifeerveneuze infuuskatheter of PICC?

  • Het gebruik, de patiëntgebonden risico’s en de expertise van de inbrenger van de infuuskatheter bepalen de keuze voor een perifeerveneuze infuuskatheter of een PICC.

5.1.3 Diameterkeuze

  • Er wordt gekozen voor een perifeerveneuze infuuskatheter met een kleine diameter.

5.2.1 Plaats van inbrengen

  • Een perifeerveneuze infuuskatheter wordt in de onderarm geplaatst.

5.2.2 Voorzorgsmaatregelen bij inbrengen

  • Er wordt een schone werkwijze gehanteerd bij het inbrengen van een perifeerveneuze infuuskatheter.
  • Er wordt bij het inbrengen van een perifeerveneuze infuuskatheter iedere keer een nieuwe infuuskatheter gebruikt.
  • Haar wordt alleen verwijderd wanneer het in de weg zit voor het inbrengen of afplakken.
  • Het haar wordt verwijderd met een tondeuze.

5.4 Verwijderen

  • De perifeerveneuze infuuskatheter wordt onmiddellijk verwijderd bij de geringste tekenen van flebitis.

6.1.2 CVK of PICC?

  • Bij het inbrengen van CVKs in de vene subclavia of vene jugularis is men bedacht op het ontstaan van pneumothorax.
  • Voor het inbrengen van zowel een CVK als een PICC is specifieke vaardigheid aanwezig

6.1.3 Enkel – of multilumenkatheters

  • Een CVK wordt ingebracht met niet meer lumina dan nodig is.

6.1.4 Antimicrobiële infuuskatheters

  • Het gebruik van CVKs voorzien van chloorhexidine-zilversulfadiazine of minocycline-rifampicine wordt overwogen bij intensive care- en chirurgische patiënten wanneer de incidentie van kathetergerelateerde bloedbaaninfecties hoog is, ondanks optimale toepassing van de aanbevelingen in deze richtlijn.
  • Het gebruik van CVKs voorzien van chloorhexidine-zilversulfadiazine of minocycline-rifampicine wordt afgeraden bij patiënten met een CVK voor chemotherapie of TPV.
  • Bij een indicatie voor een antimicrobiële CVK wordt gebruik gemaakt van een chloorhexidine-zilversulfadiazine behandelde CVK.

6.1.5 Tunnelen

  • Bij tunnelen wordt altijd gebruik gemaakt van een CVK met een ‘cuff’ voor fixatie.
  • Een getunnelde CVK wordt gedurende de eerste 10 dagen gefixeerd met een hechting om het vastgroeien van de ‘cuff’ te bevorderen.
  • Er wordt geen gebruikt gemaakt van met zilver geïmpregneerde ‘cuffs’.

6.2.1 Plaats van inbrengen

  • Een CVK wordt ingebracht op de plaats met de minste kans op katheter- gerelateerde bloedbaaninfecties.

6.2.2 Voorzorgsmaatregelen bij inbrengen

  • Er wordt voor elke inbrengpoging gebruik gemaakt van een nieuwe CVK.
  • Een CVK wordt ingebracht in een zelfstandige behandelkamer.
  • Alle benodigdheden voor het plaatsen van de CVK worden binnen handbereik geplaatst.
  • De CVK wordt door een gekwalificeerde deskundige geplaatst.
  • Diegene die de CVK inbrengt en de assisterende passen preoperatieve handdesinfectie toe en nemen de voorgeschreven duur voor desinfectie met het desinfectans in acht.
  • Degene die de CVK inbrengt draagt steriele handschoenen, een steriele jas, een chirurgisch mondneusmasker en hoofdbedekking.
  • Assisterende verpleegkundigen die bij de ingreep aanwezig zijn dragen tenminste een mondneusmasker en hoofdbedekking.
  • Het gebied rondom de insteekopening wordt afgedekt met een steriel laken dat minstens een diameter van twee meter heeft.
  • Er wordt een ruim steriel veld voor de benodigdheden gecreëerd.
  • De CVK wordt met een hechting door de huid en een transparante folie of gefixeerd met een speciaal ontwikkeld fixatiesysteem in combinatie met een transparante folie.

6.3 Afdekken

  • Er wordt een schone werkwijze toegepast bij het afdekken van de CVK punctieplaats.
  • De punctieplaats van een CVK wordt met een vastgegroeide ‘cuff’ afgedekt naar gelang de wensen van de patiënt.
  • De punctieplaats van een al dan niet getunnelde CVK wordt zonder ‘cuff’ waterdicht afgedekt wanneer de patiënt gaat douchen.
  • De punctieplaats van een volledig vastgegroeide CVK met ‘cuff’ wordt afgedekt naar gelang de wensen van de patiënt wanneer de patiënt gaat douchen.

6.3.1 Mupirocinezalf

  • Er wordt geen gebruik gemaakt van mupirocinezalf op de punctieplaats.

6.4 Verwijderen

  • De CVK wordt niet routinematig verwijderd.
  • De CVK wordt bij disfunctioneren alleen over een geleidedraad vervangen indien het inbrengen op een nieuwe plaats te hoge risico’s voor de patiënt met zich meebrengt en er geen tekenen van infectie zijn.

6.5 Totaal implanteerbare infuuskatheter

  • De insteekopening van de totaal implanteerbare infuuskatheter wordt na aanprikken van het systeem afgedekt met transparante folie.
  • De totaal implanteerbare infuuskatheter wordt na medicijngebruik doorgespoeld met fysiologisch zout of een heparine-oplossing.
  • Ongebruikte totaal implanteerbare infuuskatheters worden om de vier weken doorgespoeld met een heparine-oplossing.
  • De injectiekamer van de totaal implanteerbare infuuskatheter wordt altijd aangeprikt met een nieuwe hubernaald.
  • Bij continue parenterale toediening via een totaal implanteerbare infuuskatheter wordt de hubernaald op indicatie van de fabrikant vervangen.
  • De huid wordt niet over de onaangeprikte subcutane injectiekamer van de totaal implanteerbare infuuskatheter afgedekt.